Er gaat een bepaalde voldoening uit van het maken van je eigen plantenmest. Je hebt een emmer, wat onkruid, water en geduld — en twee weken later heb je een krachtige, gratis voeding voor je planten. Het is niet alleen goedkoper dan kunstmest; het is ook een manier van tuinieren waarbij je de kringloop sluit: wat uit de tuin komt, gaat terug de tuin in.
Waarom natuurlijk bemesten?
Kunstmest levert voedingsstoffen in een direct oplosbare vorm. Dat is efficiënt, maar het gaat voorbij aan iets essentieels: de bodem zelf. In een gezonde bodem leven miljarden micro-organismen die organisch materiaal afbreken en voedingsstoffen geleidelijk beschikbaar maken voor planten. Kunstmest slaat die hele keten over. Op termijn verarmt het bodemleven, en daarmee de bodem.
Natuurlijke bemesting voedt het bodemleven, en het bodemleven voedt de planten. Dat is een langzamer proces, maar het resultaat is een veerkrachtige, gezonde bodem die steeds minder input nodig heeft.
Brandnetelgier: de klassieker
De grote brandnetel (Urtica dioica) is een van de meest voedzame wilde planten — niet alleen voor ons (brandnetelsoep, iemand?), maar ook voor de tuin. De plant bevat veel stikstof, ijzer en een reeks sporenelementen.
Zo maak je het
- Verzamel een kilo verse brandnetels (met handschoenen!) en doe ze in een emmer van tien liter
- Vul de emmer met regenwater. Leidingwater kan ook, maar laat het dan een dag staan zodat het chloor verdampt
- Dek de emmer af met een los deksel — er moet lucht bij kunnen
- Roer dagelijks. Na een dag of tien tot veertien begint het te stinken — dat is normaal, het gist. Als het niet meer schuimt, is het klaar
- Zeef het goedje en verdun het 1:10 met water voor gewoon gieten, of 1:20 als bladvoeding
Over die stank: ja, brandnetelgier ruikt verschrikkelijk. Een paar druppels lavendel- of valeriaan-extract in de emmer helpt een beetje. Of zet de emmer in een hoek waar je er geen last van hebt.
Waarvoor gebruiken?
Brandnetelgier is vooral rijk aan stikstof en stimuleert bladgroei. Ideaal voor bladgroenten, tomaten (in het begin van het seizoen) en planten die een groeistoot nodig hebben. Niet overdrijven: te veel stikstof geeft slap, ziektegevoelig blad.
Comfrey: het geheime wapen
Smeerwortel (Symphytum × uplandicum, de Russische comfrey) is misschien wel de ultieme bemestingsplant. Zijn diepe penwortels — tot twee meter diep — halen voedingsstoffen op uit lagen waar andere planten niet bij kunnen. Het blad is bijzonder rijk aan kalium, fosfaat en sporenelementen.
Maak er gier van op dezelfde manier als brandnetelgier, of leg verse blaadren direct als mulch rond je planten. Comfreygier is bijzonder geschikt voor tomaten, paprika's en aardappelen — gewassen die veel kalium nodig hebben voor vruchtvorming.
Een tip: plant een paar comfreiplanten op een strategische plek in je tuin. Je kunt ze drie tot vier keer per seizoen tot de grond terugknippen; ze groeien steeds weer aan. Een onuitputtelijke meststofbron.
Compostthee
Compostthee is een vloeibaar extract van rijpe compost, bedoeld om zowel de bodem als de planten een boost te geven van micro-organismen en voedingsstoffen.
Eenvoudige methode
- Doe een schep rijpe compost in een juten zak of oude kussensloop
- Hang de zak in een emmer water (tien liter) als een theezakje
- Laat het twee tot drie dagen trekken, af en toe roeren
- Gebruik het onverdund als gietwater of verdund als bladspray
De actief beluchte variant — waarbij je een aquariumpomp gebruikt om lucht door het water te blazen — zou nog effectiever zijn omdat aerobe micro-organismen dan beter gedijen. Het bewijs hiervoor is eerlijk gezegd niet overweldigend in de wetenschappelijke literatuur, maar veel biologische tuiniers en boeren zijn enthousiast.
Bokashi
Bokashi is een Japanse fermentatiemethode waarbij keukenafval wordt gefermenteerd met behulp van effectieve micro-organismen (EM). Het verschilt van composteren: bij bokashi wordt het materiaal anaeroob (zonder lucht) gefermenteerd in een afgesloten emmer.
Het eindproduct is geen compost — het ziet er nog herkenbaar uit — maar een gefermenteerde massa die, eenmaal in de grond gewerkt, razendsnel wordt afgebroken door het bodemleven. Het vocht dat onderin de emmer verzamelt (het "bokashi-sap") kun je verdund 1:100 als gietwater gebruiken.
Het voordeel van bokashi: je kunt er ook gekookt voedsel, zuivel en kleine hoeveelheden vlees in kwijt, wat op een gewone composthoop niet kan.
Eierschalen, koffiedik en houtskool
Een paar populaire bemestingstips onder de loep:
- Eierschalen: worden vaak aanbevolen als calciumbron. In theorie klopt dat — ze bestaan grotendeels uit calciumcarbonaat. Maar de afbraak is zó langzaam dat het effect verwaarloosbaar is, tenzij je ze fijnmaalt tot poeder. Fijngemalen eierschalen door de compost mengen is zinvoller dan halve schillen rond je tomaten leggen.
- Koffiedik: bevat stikstof, kalium en fosfor. Goed als toevoeging aan de compost. Direct op de grond is minder ideaal: het kan de bodem verdichten en is vrij zuur. In kleine hoeveelheden tussen de compost is het prima.
- Houtskool (biochar): geactiveerde houtskool in de bodem kan de waterretentie en het bodemleven verbeteren. Het is geen meststof op zich, maar een bodemverbeteraar. De hype rond biochar is groot; het onderzoek is veelbelovend maar nog niet in alle bodemtypes even duidelijk.
Een bemestingsschema voor het hele seizoen
Een simpele aanpak voor de ecologische moestuin:
- Vroeg voorjaar: een laag rijpe compost (drie tot vijf centimeter) op de bedden
- Tijdens het groeiseizoen: om de twee tot drie weken gieten met brandnetelgier of compostthee bij stikstofbehoeftige gewassen
- Vanaf de vruchtzetting: overschakelen op comfreygier voor kaliumrijke voeding
- Herfst: groenbemester zaaien en eventueel een laag compost als wintermulch
Geduld als meststof
Het eerlijke verhaal: natuurlijk bemesten werkt langzamer dan kunstmest. Je ziet het effect niet na een week maar na een seizoen. Maar wat je opbouwt — een levende bodem, een gezond micro-ecosysteem — wordt elk jaar beter. Na drie of vier jaar natuurlijk bemesten merk je dat planten sterker groeien, minder vatbaar zijn voor ziektes, en de grond steeds minder input nodig heeft. Dat is de echte opbrengst.
