176·Brassicaceae·Inheems·20–50 cm

Pinksterbloem

Cardamine pratensis

nectarvlindersoranjetipjevochtig grasland
Pinksterbloem

Wikimedia Commons / CC BY-SA 4.0

Karakter

Een fijne voorjaarsbloem die in april en mei vochtige graslanden in een roze waas hult en als geen andere plant het oranjetipje aan zich bindt. Pinksterbloem is de levenslijn van een van onze mooiste dagvlinders.

Standplaats

zon
halfschaduw

Bloeiperiode

jan
feb
mrt
apr
mei
jun
jul
aug
sep
okt
nov
dec

Hoogte

20–50 cm

Vochtig / nat

Bodem

kleiveenleem

Levensduur

overblijvend

Biotoop

Vochtige en natte graslanden, hooilanden, greppelranden en natte bosranden op voedselarme tot matig voedselrijke bodem.

Herkomst

Inheems

Oorspronkelijk in Nederland

Veelgestelde vragen

Over Pinksterbloem

Wat is Pinksterbloem?+

Een fijne voorjaarsbloem die in april en mei vochtige graslanden in een roze waas hult en als geen andere plant het oranjetipje aan zich bindt. Pinksterbloem is de levenslijn van een van onze mooiste dagvlinders.

Waar groeit Pinksterbloem van nature?+

Vochtige en natte graslanden, hooilanden, greppelranden en natte bosranden op voedselarme tot matig voedselrijke bodem.

Waar plant ik Pinksterbloem in mijn tuin?+

Standplaats: zon, halfschaduw. Watervoorkeur: Vochtig / nat. Hoogte: 20–50 cm.

Wanneer bloeit Pinksterbloem?+

Pinksterbloem bloeit in: april, mei.

Signatuur

Cardamine pratensis, de pinksterbloem, is een plant die de overgang van winter naar zomer markeert. Haar bleekroze bloemen openen zich precies wanneer de eerste warmte aanbreekt — traditioneel rond Pinksteren, zo'n vijftig dagen na Pasen — en haar bloeiperiode samenvalt exact met de vluchttijd van het oranjetipje. Deze synchronisatie is geen toeval maar het resultaat van een co-evolutionair proces van millennia: de vlinder legde zijn eieren op de bloemknoppen en de plant richtte zijn bloei in op het moment dat de bestuivers aanwezig waren. Pinksterbloem is een plant van natte hooilanden en greppelranden, een soort die ons waarschuwt: waar zij verdwijnt, verdwijnt het oranjetipje mee.

Thuis in

Pinksterbloem is inheems in geheel Europa en Noord-Azië en in Nederland wijd verspreid in vochtige tot natte, extensief beheerde graslanden. De plant heeft een sterke voorkeur voor kalkarm tot matig kalkrijke, vochtige tot natte klei- en veenbodems met een hoog grondwaterpeil. Verdroogde terreinen zijn haar vijand: bij een daling van het grondwaterpeil met slechts 20 cm verdwijnt de pinksterbloem binnen enkele jaren uit haar biotoop. Ze bloeit in april en mei; de vruchtjes — lange, smalle hauwtjes — rijpen in juni en springen spontaan open om de zaden te verspreiden. Op intensief bemest grasland wordt ze weggeconcurreerd door grassen en verdwijnt ze snel. De achteruitgang van pinksterbloem in Nederland is dan ook een directe weerspiegeling van de intensivering van de landbouw en de verdroging van het platteland.

Ecosysteemrol

Pinksterbloem is een sleutelsoort in het natte hooiland-ecosysteem, primair als verplichte waardplant van het oranjetipje (Anthocharis cardamines). Het vrouwtje legt haar eieren uitsluitend op de bloemknoppen van pinksterbloem (en enkele andere kruisbloemigen). De rups eet de zich ontwikkelende zaaddozen en overwintert als pop op een stengel. Zonder voldoende bloeiende pinksterbloemen in het landschap kan het oranjetipje zich niet voortplanten. Daarnaast is de plant een vroege nectarbron voor koninginnen-hommels (Bombus terrestris, Bombus lapidarius) en de honingbij. Als bewoner van natte graslanden draagt pinksterbloem bij aan de waterhuishouding van veenweidepercelen: haar wortels verbeteren de doorlaatbaarheid van de toplaag en stimuleren de activiteit van het bodemleven.

Wilde buren

In het natte hooiland groeit pinksterbloem samen met Caltha palustris (dotterbloem), Lychnis flos-cuculi (echte koekoeksbloem), Ranunculus acris (scherpe boterbloem) en Fritillaria meleagris (kievitsbloem). Langs greppelranden staat zij naast Veronica beccabunga (beekpunge) en Nasturtium officinale (waterkers). In licht beschaduwde, natte bosranden verschijnt pinksterbloem naast Chrysosplenium oppositifolium (tegenoverbladerend goudveil) en Cardamine amara (bittere veldkers). Deze soortenrijke dotterbloem-gemeenschap is een van de meest bedreigde vegetatietypen van Nederland.

Leven in de plant

De ecologische relatie tussen pinksterbloem en het oranjetipje (Anthocharis cardamines) is een van de bekendste co-evolutionaire voorbeelden in de Nederlandse flora. Het wijfje legt slechts één ei per bloemknop, waarna de rups de hele zaaddoos leeg eet. De rups is groen met witte strepen — perfecte camouflage tegen het groene hauwtje. Maar naast het oranjetipje bezoeken ook andere vlinders de bloemen: het klein koolwitje (Pieris rapae), de citroenvlinder (Gonepteryx rhamni) en het groot koolwitje (Pieris brassicae) zijn regelmatige bezoekers. Vroege bijensoorten als de tweekleurige zandbij (Andrena bicolor) en de grasbij (Andrena flavipes) halen nectar en stuifmeel uit de bloemen. De glucosinolaten in het blad beschermen de plant tegen generalistische herbivoren maar vormen geen probleem voor gespecialiseerde rupsen van witte vlinders.

In jouw tuin

Pinksterbloem is te kweken in een vochtige border, langs een vijverrand of in een nat gazon. De plant zaait zichzelf uit via de explosief openspringende hauwtjes maar breidt zich ook vegetatief uit via kleine bulbillen (klompjes) die zich in de bladoksels vormen en op de grond vallen. Plant pinksterbloem bij voorkeur in groepjes om voldoende eiafzetplaatsen voor het oranjetipje te bieden. Maai pas na half juni zodat de zaden de kans krijgen te rijpen. Combineer met Caltha palustris (dotterbloem) en Lychnis flos-cuculi (echte koekoeksbloem) voor een kleurrijke, ecologisch rijke voorjaarsbegroeiing. Op droge grond is pinksterbloem moeilijk te handhaven; voeg desnoods waterdoorlatende klei toe bij het planten.

Wist je dat

Pinksterbloem behoort tot de Brassicaceae en bevat zoals alle kruisbloemigen glucosinolaten — zwavelhoudende secundaire metabolieten die bij verwonding van de plant worden omgezet in scherpe isothiocyanaten (mosterdolie). Deze stoffen zijn toxisch voor de meeste insecten, maar de rupsen van witjes (Pieris spp.) hebben een specifiek enzym (nitrile-specifier protein) ontwikkeld dat de glucosinolaten onschadelijk maakt. Recente genomische studies hebben aangetoond dat dit enzym meer dan 50 miljoen jaar geleden is ontstaan, precies samenvallend met de diversificatie van de Brassicaceae — een klassiek voorbeeld van een evolutionaire wapenwedloop tussen plant en insect.

Bronnen & verder lezen

Laatst bijgewerkt: 2 april 2026.