Herkenning
Het wilde konijn (Oryctolagus cuniculus) is met 35–45 cm aanmerkelijk kleiner dan haas. Lichaam grijsbruin, oren korter dan haas (8–10 cm), staart wit aan onderkant. Beweegt zich in karakteristieke 'huppen'. Sociaal in groepen ('konijnenwallen') van 5–30 individuen.
Ecologische waarde
Hoewel niet strikt inheems (geïntroduceerd in middeleeuwen), is konijn nu een geïntegreerde sleutelsoort van Nederlandse duinecosystemen. Door grazen onderhoudt hij open vegetatie waar specifieke insecten en planten van afhankelijk zijn. Sinds 1990 sterk afgenomen door VHD- en myxomatose-virusziektes.
Leefwijze
Vrouwtjes (voedsters) kunnen 4–7 broedsels per jaar produceren met 4–8 jongen elk — een explosief voortplantings-vermogen. Jongen geboren in onderaardse holen. Volwassenen leven slechts 1–2 jaar in wild — hoge sterfte door ziekte en predatie.
In de ecotuin
Realistisch alleen in tuinen aan duinen, ruige bermen of akkerlandschappen. Konijn kan sierplanten en moestuingewassen aanvreten — gebruik 60 cm hoog hekwerk waar dat ongewenst is.
Tips
- Hekwerk 60 cm hoog (en 20 cm in grond) tegen vraat
- Behoud ruige overhoeken voor schuilen
- Niet vergiftigen — secundaire vergiftiging treft wezels en buizerds
- Meld ziekte-uitbraken (myxomatose, VHD) bij Zoogdiervereniging

