Herkenning
De vink (Fringilla coelebs) is een van onze talrijkste vogels. Mannetjes hebben een blauwgrijze kop, kastanjebruine rug en opvallend rooswarme borst — samen met twee witte vleugelbanden onmiskenbaar. Vrouwtjes zijn doffer bruingrijs maar hebben dezelfde witte vleugelbanden. Roep: scherp 'pink-pink'.
Ecologische waarde
Belangrijke verspreider van zaden — vooral van bomen. Beschermd; algemeen, maar lokaal afgenomen door verlies van zaadrijke bermen en pesticiden in akkers. In winter trekken vinken samen met groenlingen en kepen rond op zoek naar voer; soms vormen zwermen van honderden vogels.
Leefwijze
Eén broedsel per jaar. Bouwt zorgvuldig nest van mossen, korstmossen en spinnenwebben in een vorktak — een kunstwerk. In winter trekken Scandinavische vinken naar Nederland en versterken ze de lokale populaties. Mannetjes blijven vaker hier dan vrouwtjes (die naar het zuiden trekken — vandaar de Latijnse naam coelebs: 'celibatair' voor de overwinterende mannetjes).
In de ecotuin
Een voederplank met zonnebloempitten of pinda's trekt vinken het hele jaar door — vooral tijdens winter. Bewaar oude bloemstengels (zonnebloemen, distels) voor zaden. Loofbomen voor broedlocaties.
Tips
- Voederplank met zonnebloempitten gedurende heel jaar
- Behoud loofbomen — broedplaatsen
- Niet alle bloemstengels in herfst opruimen — zaadbron
- Geen pesticiden — vinken eten zaden van wilde planten



