Herkenning
De citroenvlinder (Gonepteryx rhamni) is een elegante dagvlinder met een vleugelspanwijdte van 50 tot 55 millimeter. De mannetjes hebben helder citroengele vleugels, de vrouwtjes zijn bleekgroen tot witgeel. Elke vleugel heeft een klein oranjebruin stipje in het midden. De vleugelvorm is opvallend: elke vleugel heeft een scherpe punt, waardoor de vlinder met gesloten vleugels op een blad lijkt. Deze camouflage is cruciaal tijdens de overwintering.
Ecologische waarde
De citroenvlinder is een belangrijke voorjaarsbestuiver. Als een van de allereerste vlinders die in het voorjaar verschijnt, soms al in februari, bestuift hij vroegbloeiende planten wanneer andere bestuivers nog nauwelijks vliegen. Met een levensduur van circa twaalf maanden is hij de langslevende dagvlinder van Nederland.
De rupsen zijn afhankelijk van sporkehout en wegedoorn als waardplant. Het behoud van deze struiken in het landschap is essentieel voor de citroenvlinder.
Leefwijze
De citroenvlinder heeft een unieke levenscyclus. Volwassen vlinders verschijnen in de zomer, voeden zich korte tijd met nectar en gaan vervolgens al in de nazomer in een soort zomerrust. In het najaar zoeken ze een overwinteringsplek in dichte klimop, hulst of braamstruiken. Ze overleven vriestemperaturen dankzij antivriesstoffen in hun bloed.
In het vroege voorjaar worden ze als een van de eerste vlinders actief. Na paring legt het vrouwtje eitjes op uitlopende knoppen van sporkehout. De groene rupsen zijn moeilijk te zien op het blad.
In de ecotuin
Plant sporkehout (Frangula alnus) of wegedoorn (Rhamnus cathartica) als waardplant. Deze inheemse struiken zijn sowieso waardevol voor de biodiversiteit. Zorg voor vroege nectarbronnen zoals longkruid, sleedoorn en dotterbloem voor de uit de overwintering komende vlinders.
Laat dichte, groenblijvende struiken als klimop en hulst staan als overwinteringsplek. Snoei deze struiken niet in de winter wanneer vlinders er tussen schuilen.
Tips
- Plant sporkehout of wegedoorn als waardplant voor de rupsen
- Bied vroege nectarbronnen aan zoals longkruid en wilgenkatjes
- Laat dichte klimop en hulst staan als overwinteringsplek
- Snoei groenblijvende struiken niet in de wintermaanden



