Herkenning
De merel (Turdus merula) is een forse zangvogel van 24 tot 27 centimeter. Het mannetje is volledig gitzwart met een opvallende felgele snavel en gele oogring. Het vrouwtje is donkerbruin met een lichtere, gevlekte borst. Juvenielen zijn rossig bruin met lichte vlekken. De merel beweegt zich typisch huppend over de grond, met regelmatige pauzes waarin hij schuin luistert naar prooi in de bodem.
Ecologische waarde
De merel is een belangrijke bodemregulator. Door het omwoelen van bladstrooisel en het uittrekken van regenwormen bevordert hij de vermenging van organisch materiaal in de toplaag van de bodem. Daarnaast eet hij grote hoeveelheden slakken, insectenlarven en emelten. In het najaar schakelt de merel over op bessen en fruit, waarmee hij bijdraagt aan de zaadverspreiding van struiken als vlier, meidoorn en klimop.
De fluitende avondzang van de merel is een van de meest herkenbare geluiden van de Nederlandse tuin en draagt bij aan de belevingswaarde van de groene omgeving.
Leefwijze
Merels zijn standvogels die het hele jaar in hun territorium verblijven, aangevuld in de winter door merels uit Scandinavië. Ze broeden twee tot drie keer per jaar in een stevig komvormig nest van gras en modder, vaak in dichte hagen of klimplanten. Het vrouwtje broedt vier tot vijf blauwgroene eieren uit in circa twee weken.
Merels foerageren vooral op de grond. Ze luisteren naar regenwormen onder het oppervlak en trekken deze met een snelle beweging uit de grond. In droge perioden schakelen ze over op insecten en bessen.
In de ecotuin
Een merel voelt zich thuis in een tuin met vochtige, mulchrijke bodem waar regenwormen in overvloed leven. Dichte hagen bieden nestgelegenheid en bescherming. Plant besdragende struiken als vlier, lijsterbes en meidoorn voor voedsel in het najaar.
Zorg voor een ondiepe waterbak op de grond waar merels kunnen drinken en baden. Laat bladstrooisel liggen onder struiken als foerageergebied.
Tips
- Mulch de borders met bladcompost om regenwormen te bevorderen
- Plant dichte hagen van liguster, beuk of meidoorn als nestgelegenheid
- Zet een ondiepe waterschaal op de grond met een steen erin als landingsplaats
- Laat gevallen fruit liggen als extra voedselbron in het najaar



