Herkenning
Het roodborstje (Erithacus rubecula) is een compact vogeltje van 12 tot 14 centimeter met een opvallend oranjerood borstschildje dat doorloopt tot over het voorhoofd. De bovendelen zijn olijfbruin, de buik wit. De grote, donkere ogen geven het roodborstje een karakteristieke, nieuwsgierige uitdrukking. Beide geslachten zien er identiek uit. Juvenielen missen de rode borst en zijn bruin gespikkeld.
Ecologische waarde
Het roodborstje is een ijverige insecteneter die voornamelijk op en nabij de grond foerageert. Het vangt kevers, vliegen, spinnen, mieren en kleine slakjes. In de winter schakelt het over op bessen en zaden. Door zijn voorkeur voor bodembewonende ongewervelden draagt het bij aan de regulatie van insectenpopulaties in de tuin.
Roodborstjes zijn territoriale vogels die het hele jaar door zingen, ook in de winter. Hun heldere, melodieuze zang is al voor zonsopgang te horen en draagt bij aan de akoestische kwaliteit van de groene leefomgeving.
Leefwijze
Roodborstjes zijn grotendeels standvogels, hoewel populaties uit Noord-Europa in de winter naar Nederland trekken. Ze zijn sterk territoriaal en verdedigen hun gebied het hele jaar, ook in de winter. Het nest wordt laag bij de grond gebouwd in dichte begroeiing, klimop, muurspleten of open nestkastjes. Twee broedsels per jaar zijn normaal, met vijf tot zes eieren per legsel.
Het roodborstje is een van de weinige vogels die ook in de schemering actief foerageert. Ze volgen graag gravende dieren en tuiniers om verstoorde insecten te vangen.
In de ecotuin
Het roodborstje waardeert een tuin met dichte onderbegroeiing en vochtige plekken. Klimop, hondsdraf en braamstruiken bieden nestgelegenheid en beschutting. Hang halfopen nestkastjes op op beschutte plekken laag in de begroeiing. Laat bladstrooisel liggen als foerageergebied.
Roodborstjes komen vaak dichtbij als je in de tuin werkt. Dit is geen tamheid maar een opportunistische strategie: ze profiteren van insecten die bij het graven vrijkomen.
Tips
- Hang een halfopen nestkastje op in dichte klimop of een beschutte struik
- Laat bladstrooisel liggen onder struiken als foerageergebied
- Plant lage, dichte bodembedekkers als klimop en maagdenpalm
- Bied in strenge winters meelwormen aan op een laag voederplateau



