Volgens de Zoogdiervereniging komen er in Nederland negentien vleermuissoorten voor. Het zijn daarmee onze enige vliegende zoogdieren en — minstens zo opmerkelijk — de groep zoogdieren met het grootste aandeel beschermde soorten. Alle Nederlandse vleermuizen vallen onder de Wet natuurbescherming. Verstoren van een verblijfplaats is strafbaar. Tegelijk zijn vleermuizen voor stadstuinen een opvallend goed te bedienen groep: ze hebben aan een paar simpele tuiningrepen veel meer dan aan een vleermuiskast.
Welke soorten kun je in een tuin zien
De drie soorten die in praktisch elke Nederlandse stedelijke tuin kunnen voorkomen:
- Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) — onze talrijkste soort, slechts 4 gram zwaar. Jaagt rond zonsondergang op kleine vliegjes en muggen, vaak rondjes draaiend boven een tuin of straatlamp.
- Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) — iets groter, vaak boven water (vijver, kanaal). Trekt vanuit Oost-Europa naar onze regio voor de winter.
- Laatvlieger (Eptesicus serotinus) — fors, traag, vliegt later op de avond rond bomenrand of dakgoot. Lievelingsprooi: meikevers en grote nachtvlinders.
Op specifieke biotopen kun je daarnaast watervleermuis (boven open water), rosse vleermuis (boven boomtoppen), gewone grootoorvleermuis (in tuinen met oude loofbomen) en zeldzaam de meervleermuis tegenkomen. Wie wil weten welke soorten over zijn tuin vliegen kan een batdetector huren via de Zoogdiervereniging — die zet hun ultrasone roepjes om in hoorbaar geluid en geeft per soort een herkenbare ratel of klik.
De ecologische rol — en de belastingheffing
Een gewone dwergvleermuis eet volgens metingen van de Zoogdiervereniging tot 600 muggen of vliegjes per nacht. Een laatvlieger gaat over 50-100 grotere insecten per nacht. Een tuin met vleermuizen heeft daarmee meetbaar minder muggen — een effect dat geen enkel anti-muggenmiddel evenaart.
De keerzijde: vleermuizen zijn obligate insecteneters. Een tuin zonder insecten heeft geen vleermuizen, ongeacht hoeveel kasten je ophangt. De insectenstand zelf is in Nederland sinds 1990 met geschatte 60-75% gedaald (insectenmonitoring Krefeld + replicatie Wageningen UR), en daarmee verschuift ook de vleermuispopulatie. Wat goed is voor zweefvliegen, nachtvlinders en kevers, is automatisch goed voor vleermuizen.
Drie ingrepen die het verschil maken
1. Donkerte — de belangrijkste van alle drie
Vleermuizen mijden actief verlicht gebied. Buitenverlichting verstoort hun jacht en verbreekt hun migratieroutes. Witte LED, vooral koudwit (4000K+), is de zwaarste verstoorder; amber-LED (2200K en lager) verstoort het minst. Een eenvoudige actie: zet alle decoratieve tuinverlichting uit, vervang permanente padlampen door bewegingssensoren, en richt onvermijdelijke lampen omlaag i.p.v. zijwaarts.
De RVO/RVZ-richtlijn voor 'vleermuisvriendelijke verlichting' is publiek beschikbaar en wordt in steeds meer gemeenten — Den Haag, Nijmegen, Groningen — als beleid overgenomen voor straatverlichting.
2. Insectenrijkdom — vooral 's nachts
Twee tuinkenmerken bevorderen specifiek nachtinsecten:
- Avond-bloeiende planten als avondkoekoeksbloem (Silene latifolia), kamperfoelie (Lonicera periclymenum) en nachtviolier (Hesperis matronalis) — magneten voor nachtvlinders die op hun beurt vleermuisvoer zijn.
- Een vijver of waterplek. Boven water vliegen muggen, dansmuggen en haftengroepen die voor watervleermuis en ruige dwergvleermuis prooidieren zijn. Een vijver van zelfs 4 m² verandert de jacht-route van vleermuizen die over de buurt vliegen.
3. Verblijfplaatsen — meer dan een kast
Vleermuissoorten verschillen sterk in waar ze overdag rusten. De gewone dwergvleermuis verblijft graag in spouwmuren en achter betimmeringen van huizen — niet in tuinkasten. Bij dakwerk of isolatie wordt regelmatig per ongeluk een verblijfplaats geblokkeerd. De Zoogdiervereniging adviseert om bij isolatieprojecten vleermuiskasten ('vleermuispannen' op het dak of inbouwkasten in de spouwmuur) als compensatie te plaatsen — minimaal vier per huis.
Boom-bewonende soorten als gewone grootoorvleermuis en rosse vleermuis verblijven in holle takken en spechtenholten. Een tuin met oude loofbomen is voor hen waardevoller dan welke kast dan ook. Bij snoei van oude bomen: niet beneden 5 meter snoeien zonder eerst rond zonsondergang te controleren of er vleermuizen uitvliegen.
Een tuinkast werkt het beste voor solitaire mannetjes en kleine zomerkolonies. Plaats hem op een zonnige zuidoost- of zuidwestgerichte gevel op minstens 4 m hoogte, vrij van takken die katten of marters toegang geven. Goede modellen zijn houten flat boxes met een opening van slechts 1,5 cm.
Wat absoluut niet moet
- Insecticiden of vliegenlinten — onthouden vleermuizen voedsel én vergiftigen ze indirect via prooi.
- Decoratieve tuinverlichting die de hele nacht aanstaat.
- Snoei van bomen tussen mei en oktober (broedseizoen + zomerkolonietijd).
- Spouwmuurisolatie zonder voorinspectie door een vleermuisdeskundige.
- Vleermuiskasten ophangen aan een levende boom met een spijker — gebruik schroeven met een houten klem of een polyester slip-bevestiging die meegroeit.
Wat je deze week kunt doen
Doe vanavond na 22:00 alle decoratieve verlichting uit en zet een tuinstoel buiten — twintig minuten kijken naar de hemel rond zonsondergang levert in vrijwel elke Nederlandse stad de gewone dwergvleermuis op. Plant een avondbloeier en spaar elke insectensoort die deze zomer langskomt. Wie de stap naar een batdetector wil maken: lokale natuurorganisaties van de Zoogdiervereniging organiseren in mei en augustus jaarlijks Nationale Vleermuisnachten waar je gratis kunt meekijken en je eigen tuin kunt laten meten.
