Biodiversiteit9 min leestijd4 mei 2026

Wilde bijen aantrekken: van zandheuvel tot stengelhotel

Samenvatting

Van de 360 wilde bijensoorten in Nederland nestelt 70% in de grond, niet in een bijenhotel. Wat je tuin echt voor wilde bijen kan betekenen, hangt vooral af van bodem, bloeiboog en structuur.

Leestijd

9min

Nederland telt ongeveer 360 soorten wilde bijen, en bijna de helft daarvan staat op de Rode Lijst van EIS Kenniscentrum Insecten. Anders dan de honingbij (Apis mellifera) leven verreweg de meeste wilde bijen solitair: één vrouwtje bouwt zelfstandig een nest en vult het met stuifmeel en nectar voor haar nakomelingen. Dat heeft directe gevolgen voor wat ze van een tuin nodig hebben.

Bodem is belangrijker dan een hotel

Volgens onderzoek van EIS en de Nederlandse Bijenstichting nestelt circa 70% van de wilde bijen in de grond. Soorten als de grijze zandbij (Andrena vaga), de pluimvoetbij (Dasypoda hirtipes) en de gewone slobkousbij (Macropis europaea) graven zelf hun gangen in zonnig, schraal, niet te dicht begroeid zand of leem. Een dichte gazon, zwarte folie of dik mulchpakket sluit dat habitat letterlijk af.

Wie wilde bijen serieus wil helpen begint daarom niet bij het kopen van een bijenhotel, maar bij open, zonnige stukken grond: een zuidhelling van een border, een onbeplante strook langs een tuinpad, een paar tegels minder. Een vierkante meter zandig, schraal substraat in de volle zon — afgevuld tot 30 cm met een mengsel van leemarm tuinzand en wat gewone tuinaarde — kan binnen één seizoen worden bewoond. Soms zijn de eerste gangen al binnen weken te zien.

Bloeiboog van maart tot oktober

Wilde bijen zijn vaak gespecialiseerd op één of een handvol plantenfamilies. De grijze zandbij vliegt bijvoorbeeld bijna uitsluitend op wilg (Salix), de slobkousbij verzamelt olie van wederik (Lysimachia vulgaris) en niets anders. Een tuin met alléén lavendel en vlinderstruik bedient deze specialisten dus niet.

De praktische regel: zorg voor een doorlopend bloemaanbod van eind februari tot oktober, met op elk moment minstens drie inheemse soorten in bloei. Goede ruggengraatplanten:

  • Vroege voorjaar: boswilg (Salix caprea), longkruid (Pulmonaria officinalis), klein hoefblad (Tussilago farfara)
  • Voorjaar: gewone vogelmelk (Ornithogalum umbellatum), gewone ereprijs (Veronica chamaedrys), pinksterbloem (Cardamine pratensis)
  • Vroege zomer: knoopkruid (Centaurea jacea), wilde marjolein (Origanum vulgare), grote kaardenbol (Dipsacus fullonum)
  • Hoogzomer: koninginnekruid (Eupatorium cannabinum), wilde cichorei (Cichorium intybus), wilde reseda (Reseda lutea)
  • Nazomer: gewone goudroede (Solidago virgaurea), klimop (Hedera helix), herfstaster (Symphyotrichum)

Het bijenhotel — als aanvulling, niet als hoofdgerecht

De resterende 30% van de wilde bijen nestelt bovengronds: in holle stengels, kevergangen, leemvoegen of bestaande gaatjes in dood hout. Voor déze soorten is een goed gebouwd bijenhotel zinvol. De meeste in tuincentra verkochte exemplaren zijn echter niet alleen ineffectief maar zelfs schadelijk: te kleine of doorlopende gaten, dennenappels en bamboestronken met scheurranden waaraan vleugels stuk gaan, en vooral een schimmelvriendelijk vochtig binnenklimaat.

Een werkbaar hotel:

  • Boorgaten in onbehandeld loof- of fruithout (geen naaldhout — barst), van 3 tot 9 mm diameter, ten minste 8 cm diep, met gladde wand. Gebruik scherpe boren, geen versleten exemplaren.
  • Bamboe alleen als de uiteinden glad afgesneden en bij voorkeur dichtgesmeerd zijn aan de achterkant.
  • Holle plantenstengels van bv. fluitenkruid, distel of riet, gebundeld of ingestoken in gaten.
  • Geplaatst op een droge, zuidoost-gerichte plek op 1,5-2 m hoogte, regenvrij maar niet onder een afdakje dat warmte vasthoudt.

Vermijd dennenappels, hooi, lavasteen en alle decoratieve invullingen — die bedienen geen wilde bij maar trekken alleen oorwormen en spinnen aan.

Stuifmeelvallen vermijden

Sommige door kwekers veredelde bloemen zijn een visuele lokaas zonder voedingswaarde. Gevulde rozen, dahlia's met dubbele bloemen, geraniumcultivars en moderne franjeasters produceren weinig of geen toegankelijk stuifmeel meer. Bijen die er op vliegen verspillen energie. De vuistregel: kun je het hart van de bloem zien en zijn de meeldraden bereikbaar, dan is de bloem bruikbaar. Veredelde, gevulde bloemen zijn meestal niet meer dan een wenkkaart zonder maaltijd.

Wat je deze week kunt doen

Drie ingrepen die binnen één seizoen verschil maken: leg een zonnig stukje grond bloot of vul het op met schraal zand in de volle zon, plant minstens vijf inheemse soorten met aanvullende bloeitijden, en laat een handvol holle stengels van fluitenkruid of distels staan tot eind april. Wie ook nog stopt met chemische bestrijdingsmiddelen — niet alleen herbiciden maar ook neonicotinoïden in plantenpotgrond uit het tuincentrum — heeft binnen twee tot drie jaar een meetbare verschuiving in soortenrijkdom.